AVB

A= categorie motor
V= voertuig
B= beheersing

Hoe verloopt het praktijkexamen voertuigbeheersing?

 Een praktijkexamen voertuigbeheersing duurt 20 minuten. Je rijinstructeur mag aanwezig zijn bij het examen en het eindgesprek. Het examen verloopt zo:

  • Je maakt eerst kennis met de examinator. Die legt uit hoe je examen verloopt.
  • Je examinator controleert je identiteitsbewijs. Ook kijkt hij of je een geldig theoriecertificaat voor de motor bij je hebt of een geldig Nederlands autorijbewijs of motorrijbewijs voor automaat, of een geldig EU- of EER-autorijbewijs. Bij het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de zware motor is het ook goed als je een geldig rijbewijs voor de lichte motor bij je hebt wanneer je nog niet bent geslaagd voor je theorie-examen.
  • Hierna doe je zeven oefeningen. De examinator toetst of je de motor beheerst.
  • Direct na afloop van de oefeningen krijg je te horen of je geslaagd bent.

Cluster 1

 Achteruit parkeren

cluster1-achteruit-parkeren

Het eerste cluster bestaat uit de oefening achteruit parkeren. In deze verplichte oefening loop je aan de rechterzijde van de rijbaan met de motor aan de hand. Daarna parkeer je de motor achteruit in een denkbeeldig parkeervak en zet je de motor op de standaard. Vervolgens haal je de motor weer van de standaard en loop je naar rechts het parkeervak uit.

Cluster 2

 Langzame slalom

Gas, achterrem en slippende koppeling. 5 tot 10 km/u. alle kegels doen mee

De verplichte oefening in het tweede cluster is de langzame slalom. Er geldt geen richtlijn voor de snelheid. Gezien de geringe tussenafstand ligt een stapvoets tempo voor de hand.Het gebruik van een slippende koppeling is bij deze oefening verplicht. Van belang is verder de combinatie van juiste bediening, langzaam rijden en het behouden van de balans. Dit alles doe je natuurlijk zonder de pylonen aan te raken!

Wegrijden uit parkeervak

Gas, slippende koppeling en de achterrem, eerst rollen daarna sturen.

Bij deze keuzeoefening rijd je vanuit stilstand uit een parkeervak weg. Je maakt een haakse bocht en rijdt enkele meters rechtuit. De rijbaanbreedte is drie meter. Het belangrijkste van deze oefening is dat je gecontroleerd een scherpe bocht weet te maken, direct na het wegrijden.

 

 Denkbeeldige acht

Gas en voetrem 10 tot 15 km/u (geen koppeling gebruiken)

Met deze facultatieve oefening laat je zien dat je een complete (denkbeeldige) acht kunt rijden in een rechthoekig kader. Je rijdt met trekkende motor en houdt daarbij een gelijkmatige snelheid aan. Je mag je voetrem gebruiken.

 

  Stapvoets rechtdoor rijden

Gas voetrem en slippende koppeling, verwen kijken.

Hier is het de bedoeling dat je naast de lopende examinator blijft rijden over een afstand van twintig meter. Er wordt gelet op snelheid, balans en een juiste bediening van de motor. Je maakt gebruik van een slippende koppeling. Je voetrem mag je bij deze keuzeoefening ook gebruiken, maar je houdt je voeten tijdens het rijden op de voetsteunen.

 

 Halve draai (links- of rechtsom)

cluster2-5-halve-draai

Als de examinator voor deze oefening kiest dan rijd je met licht trekkende motor op een denkbeeldige rijbaan. Na de tweede pylon maak je in één vloeiende beweging een halve draai naar links of rechts. Je rijdt dan terug naar het startpunt.

 

Cluster 3

Uitwijkoefening

50 km/u in z'n 3 Pas in het poortje gas dichten laten uitrollen, vanuit je heupen sturen.

Cluster drie bestaat uit drie oefeningen, waarvan de uitwijkoefening verplicht is. Bij de uitwijkoefening kom je met vijftig kilometer per uur aanrijden door de poort. Vijftien meter na de poort moet je vóór een denkbeeldig muurtje van pylonen naar links uitwijken. Daarna keer je weer terug naar de eigen weghelft.

Snelle slalom

30 km/u in z'n 2 vanuit je heupen sturen en swingen met dat hok. voetjes binnenboord houden.

Bij de snelle slalom zijn zes pylonen opgesteld. Deze slalom neem je bij een snelheid van minstens dertig kilometer per uur met trekkende motor. Belangrijk is dat het vloeiend en gelijkmatig gebeurt.

Vertragingsoefening

Vanuit stilstand optrekken 50 km/u in z'n 3, remmen en terug naar 2, slalom 30km/u met gas

Bij deze optionele oefening trek je vanuit stilstand op om snel te komen tot een snelheid van vijftig kilometer per uur. Je rijdt dan in tenminste de derde versnelling. Na het tweede poortje rem je af tot 30 kilometer per uur en schakel je minimaal één versnelling terug. Daarna rijd je met deze snelheid een slalom om drie pylonen die acht meter uit elkaar staan.

 Cluster 4

Noodstop

Aanloop 50km/u in z'n 3, Bijde remmen op de helft stoppen (10 meter) schakelen mag.

In het vierde cluster is de noodstop de verplichte oefening. Je rijdt minimaal vijftig kilometer per uur. Na het poortje rem je maximaal om zo snel mogelijk tot stilstand te komen. Natuurlijk verlies je de controle over de motor niet.

 

Precisiestop

Aanloop 50km/u in z'n 3, Bijde remmen gebruiken, opbouwend remmen van poortje tot poortje schakelen naar 1 moet.

Bij de precisiestop gaat het erom dat je op een bepaald punt stilstaat. Je rijdt eerst vijftig kilometer per uur en remt beheerst als je het eerste poortje van twee pylonen passeert. Daarna moet je de motor zeventien meter verderop tot stilstand brengen.

 

 

Stopproef

Aanloop 50km/u in z'n 3, Bijde remmen gebruiken, opbouwend remmen op 2/3 stil staan, schakelen naar 1 moet.

Naast de precisiestop kan de examinator ook nog kiezen voor de stopproef als tweede keuzeoefening. Het doel van deze oefening is dat je technisch goed remt. Je schakelt kort voordat je stilstaat terug naar de eerste versnelling. Je hebt een korte remweg.